De ontwikkeling tot 1975, Korea, Vietnam, Arabisch/Israëlische oorlogen
Het uitbreken van de vrede in 1945 werd al snel gevolgd door een nieuwe oogst van oorlogen over de gehele wereld.
De meeste van deze waren hoofdzakelijk infanterie oorlogen.
De gebruikte tactieken en wapens waren dezelfde als de tactieken en wapens welke gebruikt werden in de tweede wereldoorlog.
Met het uitbreken van de oorlog in Korea ontstond een veel omvangrijkere situatie.
De aanval van Noord Korea op Zuid Korea werd tegemoet getreden door een gevechtsmacht onder leiding van de verenigde Naties.
Deze gevechtsmacht bestond grotendeels uit Amerikaanse eenheden.
Het Amerikaanse leger van 1950 was niet voorbereid.
De infanterie van het leger was, van alle diensten, het meest verwaarloosd.
Dit was een gevolg van de introductie van het atoomwapen en het concept van “massale wederzijdse vernietiging”.
Men was van mening dat de enige functie van de infanterie in de oorlogen van de toekomst, bestond uit het zuiveren van een atomair slagveld.
Dit concept bleef de Amerikaanse infanterie hinderen tot het begin van de 60er jaren, met ongelukkige gevolgen.
Tijdens de eerste confrontaties tussen de Amerikanen en de Noord Koreanen was de overmacht van de Amerikaanse luchtmacht en de artillerie voldoende om de Noord Koreanen terug te dringen.
De infanterie werd dan ook niet blootgesteld aan harde gevechten waardoor de tekortkomingen verborgen bleven.
Helaas waren er veel tekortkomingen.
De Amerikaanse infanterie ontbrak het aan een bevelstructuur en de training zoals deze gedemonstreerd werd door andere legers.
De wapens waren van een “tweede keus”, in Korea werden alleen wapens uit voorraden uit de tweede wereldoorlog gebruikt.
Maar de tekortkomingen van de “hardware” was onbeduidend als we de tekortkomingen in de “software” betrachten – training, doctrine en leiderschap.
De Amerikaanse infanterie had veel van de problemen uit de tweede wereldoorlog erkend maar niet alle problemen verholpen.
Er werd meer aandacht besteedt aan schiet oefeningen waardoor meer geweerschutters deelnamen aan vuurgevechten dan tijdens de tweede wereldoorlog.
Maar de infanterie sectie had nog steeds onvoldoende automatische vuurkracht en gebruikte nog steeds het “Able-Baker-Charlie” systeem van drie verschillende, ongelijke groepen.
Dit systeem was in de praktijk zelden toe te passen en de soldaten in het veld wisten dit.
Om deze tekortkoming te overkomen maakten de soldaten eigen aanpassingen maar het probleem wou niet doordringen in het Pentagon.
Het gevolg was dat als die mannen die gevechtsmethodes in de praktijk hadden geleerd verloren gingen of werden overgeplaatst, de vervangers dezelfde methodes in de praktijk moesten leren.
Bovendien bestonden, vanwege het gebrek aan Amerikaanse infanterie, de Amerikaanse infanterie pelotons voor 25% uit half getrainde Zuid Koreanen die geen Engels spraken.
Zoals de Oostenrijk-Hongaren ontdekten in 1914-1918 dat een taalbarrière een bevelstructuur totaal kan ontwrichten, zo ontdekten de Amerikanen dit in Korea.
De tekortkomingen van het Amerikaanse tactische systeem zou blijken tijdens de “march up country” van 1951 naar de Yalu rivier.
Plotseling verscheen daar, over de bevroren Yalu rivier, het Chinese leger.
De Chinezen troffen de Amerikanen met een fantastische kracht en snelheid.
Ze bewogen sneller dan ieder ander infanterie leger tijdens de 20ste eeuw met uitzondering van de Duitsers van 1918.
Deze tactieken hadden de Chinezen geleerd uit harde praktijk en aanpassingen naar de eigen behoefte op eenzelfde wijze als de Russen van 1942-1945.
Ze combineerden elementen van Japanse, Russische en eigen tactieken met China’s onuitputtelijke voorraad aan mankracht.
In de uitvoering waren de Chinese tactieken identiek aan de Duitse infiltratie tactieken van 1917.
Een aanval begon over een breed front waarbij gezocht werd naar een zwak punt in de verdediging.
Hier ligt de basis van de legende van de “menselijke golf” aanval.
Was er een zwak punt in de verdediging gevonden dan braken de Chinezen daar door de linie heen om de wegen te blokkeren waar de Amerikanen afhankelijk van waren voor de beweging en bevoorrading.
De Amerikanen werden zo gedwongen een uitweg te bevechten waarbij veel transport middelen en zwaar materiaal verloren ging.
Deze tactieken waren effectief maar kosten de Chinezen veel slachtoffers.
Om de mobiliteit te kunnen handhaven beschikten de Chinezen nauwelijks over ondersteunende wapens.
In die situaties dat de Chinezen een positie niet konden omtrekken maar dienden te veroveren bleek dit gebrek aan ondersteunende wapens.
Ze waren gedwongen te vertrouwen op beweging zonder ondersteunende vuurkracht en leden enorme verliezen.
Maar als de Amerikanen, door het terrein, het weer of problemen met de communicatie, niet in staat waren ondersteunende vuurkracht in te roepen, werden er vergelijkbare verliezen geleden.
De rekening voor de over-afhankelijkheid van ondersteunende eenheden werd nu betaald.
Engelse eenheden in Korea waren veel beter getraind dan de Amerikanen.
Deze hadden de infanterie tactieken niet verwaarloosd en presteerden vele malen beter dan de Amerikanen ondanks dat de wapens nog ouder waren.
Hieruit blijkt wederom dat training en een gedegen bevelstructuur de sleutel tot succes vormt.
De Chinezen omzeilden het probleem van de bevelvoering door een uitgebreid voorbereid plan in de aanval te gebruiken.
Als het plan scheef liep werd de hele aanval teruggeroepen.
Overigens opereerden de Chinezen vaak in de nacht wat de Amerikanen ook verwaarloosd hadden.
Zoals gedurende de hele 20ste eeuw zouden de individuele vaardigheden in combinatie met de cohesie van de eenheid het verschil maken tijdens de infanterie gevechten in Korea.
Dit mag blijken uit het feit dat de meest roemrijke eenheid in de Korea oorlog de Turkse Brigade was.
Bewapend met Amerikaanse “afdankers” demonstreerde deze eenheid een tactische vaardigheid die vriend en vijand verwonderden.
Omdat de Turken over weinig artillerie of luchtondersteuning beschikten hadden ze de meeste aandacht voor infanterie trainingen.
Het feit dat deze soldaten lang dienende professionele soldaten waren maakte dat Turkije over betere infanterie beschikte dan de overvloedig uitgeruste en bevoorraadde Amerikanen.
Uiteindelijk begon de Amerikaanse overmacht aan vuurkracht de overhand over de Chinezen te winnen maar niet voordat de Amerikanen een paar belangrijke lessen geleerd hadden.
Helaas zouden deze lessen niet tot een oplossing leiden maar het was wel duidelijk geworden dat de infanterie zichzelf diende te kunnen voorzien van voldoende vuurkracht, in ieder geval tegenover andere infanterie.
Het was te vaak gebeurd in Korea dat toegezegde lucht of artillerie ondersteuning niet door kwam.
De noodzaak voor automatische wapens werd ook ingezien maar nog belangrijker was de manier waarop deze gebruikt dienden te worden.
Engelse Commonwealth eenheden, uitgerust met 1914 – Lee Enfield geweren, Bren guns en aangevuld met machine pistolen bleken meer vuurkracht voor te brengen dan de Amerikanen die op papier beter uitgerust waren.
Dit kwam omdat de Engelsen getraind waren deze vuurkracht effectief te gebruiken.
Op eenzelfde manier toonden ook de Amerikaanse Marines een intelligent gebruik van de beschikbare vuurkracht die meer overeenkomsten vertoonden met de Engelsen dan met de Amerikaanse infanterie.
De Chinezen ontdekten hetzelfde als de Fransozen in 1914, namelijk dat beweging zonder ondersteunende vuurkracht desastreuze verliezen tot gevolg heeft.
Chinese eenheden, hoewel uitgerust met een grote hoeveelheid aan machine pistolen en mortieren, bleken tegenover een geconcentreerde verdediging snel uiteen te vallen.
In de oorlog tussen India en China van 1962 bevestigden de Indiërs dat legers niet leren van de fouten van andere legers.
Ze stuurden de troepen, afhankelijk van gemotoriseerd transport en wegen, de bergen in om de Chinezen te confronteren.
De Chinezen troffen de Indiërs met eenzelfde snelheid als de Amerikanen in 1951 en vernietigden twee divisies van de Indiërs.
Dit behoud van tactieken toont tevens dat de Chinezen vasthielden aan de succes formule.
Of deze tactieken, die zo effectief bleken tegenover de vrijmoedige Amerikanen en Indiërs, eenzelfde succes had kunnen bereiken op de velden van Mantsjoerije is twijfelachtig.
De oorlog in Korea eindigde in 1953 maar er waren meer oorlogen gaande of konden ieder moment uitbreken.
Daar zijn veel politionele acties onder zoals de Nederlanders in Indonesië, de Engelsen in Malaya, Cyprus en Kenia en de Fransozen in Indochina en Algerije.
Van deze waren alleen de Engelse acties succesvol.
Hoewel tactieken zelden de beslissende factor is in een complexe socio-politieke gebeurtenis als een opstand is het opmerkelijk dat de Fransozen in Indochina niet verslagen werden voordat de rebellen over wapens en vaardigheden beschikten die te vergelijking waren met de Fransozen.
Tijdens deze opstanden hadden de rebellen gewoonlijk het voordeel van een betere mobiliteit met uitzondering als de reguliere troepen over helikopters beschikten.
In bijna alle gevallen, de Engelsen uitgezonderd, lag de sympathie van het grootste deel van de lokale bevolking bij de rebellen.
De lokale bevolking voorzag de rebellen dan van de nodige inlichtingen en verkenning.
De politionele troepen moesten hoofdzakelijk vertrouwen op de infanterie.
Infanterie is noodzakelijk om grondgebieden af te grendelen voor de rebellen en de orde in de verschillende gebieden te handhaven.
Het werk van de politionele infanterie bestaat dan uit operaties als;
Het uitvoeren van aanvallen op definitief vastgestelde rebellerende posities.
Gevechtspatrouilles op zoek naar materialen en eenheden van de rebellen.
Beveiligende operaties met het doel grondgebieden van rebellen te zuiveren en ontoegankelijk te maken.
De nadruk die de Engelsen legden op de training en tactieken van kleine eenheden bleken van onschatbare waarde en had tot gevolg dat de Engelsen de meeste successen boekten.
Daarbij maakten ze niet veel gebruik van artillerie en luchtaanvallen werden hoofdzakelijk gebruikt voor het psychologische effect.
De Fransozen probeerden het Amerikaanse systeem van massale vuurkracht ondersteuning te dupliceren zonder over de noodzakelijke “hardware” te beschikken.
Dit is voor een groot deel verantwoordelijk voor de Franse nederlaag in Indochina.
De Amerikaanse betrokkenheid bij politionele acties begon in ernst met het zenden van omvangrijke eenheden naar Vietnam in 1964.
Begin 60er jaren werd er door de Amerikanen meer nadruk gelegd op “beperkte oorlogvoering” met als resultaat dat er meer aandacht was voor de bewapening en de tactieken van de infanterie.
Infanterie werd niet langer beschouwd, uitgezonderd door enkele luchtmacht types, als nucleair kanonnenvoer.
Er waren enkele veranderingen doorgevoerd sinds Korea.
Iedere Amerikaanse soldaat was uitgerust met een wapen dat in staat was automatisch te schieten, de M-14 en de latere M-16.
Maar ook deze aanpassing was onvoldoende en voorzag de infanterie sectie niet van de noodzakelijke vuurkracht.
Deze wapens waren psychologisch niet veel beter dan de M-1’s die tijdens de tweede wereldoorlog en in Korea gebruikt werden.
Ze inspireerden niet het vertrouwen bij de gebruiker op een manier zoals een licht machinegeweer dat doet.
In het gebruik waren de M-16’s te vergelijken met het gebruik van machine pistolen door de Russen in 1942-1945.
De Amerikanen hadden nog steeds niet begrepen dat de kern van succesvolle infanterie tactieken de lichte machinegeweren waren.
Amerikaanse infanterie secties in Vietnam waren niet met een licht machinegeweer uitgerust.
Het leger had de overtuiging dat er voldoende automatische vuurkracht geleverd kon worden door twee M-16 per sectie als automatische wapens te gebruiken en de rest als semiautomatisch.
De lessen van de laatste 30 jaren waren nog steeds niet doorgedrongen tot in het Pentagon.
Zonder een licht machinegeweer waren de Amerikaanse infanterie secties nog steeds aangewezen op de ondersteunende eenheden.
De vuurkracht was nog steeds onvoldoende tegenover tegenstanders met machine pistolen en “aanval”geweren, zijnde verbeterde machinepistolen met een ver bereik zoals de AK-47.
De Amerikaanse marines kenden de noodzaak van automatische vuurkracht en zorgden er voor dat iedere sectie minimaal een licht machinegeweer had.
Deze wapens waren niet licht van gewicht en beperkte de mobiliteit van de drager enigszins.
Hierdoor waren de Marines minder afhankelijk van de ondersteunende eenheden.
Als de infanterie een verdachte positie naderden dan namen ze posities in en riepen de artillerie en de luchtmacht in voor ondersteuning.
Tegen de tijd dat de artillerie of de luchtmacht klaar waren was iedereen in de verdachte positie gedood of, wat waarschijnlijker was, opgestaan en weg gegaan.
De Marines plaatsten de machinegeweren in posities waarbij ze de soldaten konden ondersteunen.
Dan werd de bajonet op de geweren geplaatst en werd de verdachte positie bestormd.
Het zal niet verwonderen dat deze laatste methode meer verliezen bij vriend en vijand met zich meebracht.
Aangezien het Amerikaanse beleid van het minimaliseren van verliezen in Vietnam bijzonder sterk werd nageleefd staat de vergelijking van de efficiency van deze methodes open voor discussie.
Een belangrijk element in Vietnam was de introductie van de helikopter.
De Amerikaanse infanterie vocht nog steeds te voet maar de helikopter bood ongekende tactische mobiliteit.
De meest belangrijke tactische functies waren het evacueren van gewonden en het bevoorraden met munitie van eenheden in gevechtsgebieden.
Een Amerikaanse infanterie compagnie was in staat een ton aan munitie te verschieten in een minuut van gekte.
Zonder helikopters had deze munitie door de manschappen zelf gedragen moeten worden.
Dit probleem in de bevoorrading was altijd al de belangrijkste beperkende factor bij de bewapening waarmee een sectie uitgerust kon worden.
Hoe groter de afstand tot de tegenstander is, hoe makkelijker het leger kan worden voorzien van de grote hoeveelheden aan munitie die moderne legers consumeren.
Tevens was de helikopter een oplossing voor het transport van de zware wapens van de infanterie.
Tactisch gezien bleef de Amerikaanse infanterie in Vietnam gebonden aan de ondersteunende eenheden.
Zo lang een eenheid over een radio beschikte kon het geholpen worden door geweldige hoeveelheden aan vuurkracht, inclusief de B-52 bommenwerpers.
Hierdoor kon vaak voorkomen worden dat Amerikaanse eenheden onder de voet gelopen werden.
Ze konden altijd voldoende vuurkracht inroepen met als resultaat dat de Communisten niet zouden aanvallen als dit betekende dat ze zich moesten blootstellen aan deze geweldige vuurkracht waarbij de vuurkracht van de Amerikaanse infanterie sectie verbleekte.
Uiteraard gaven de Amerikanen de Communisten geen kans om aanvallen uit te voeren op posities die niet ondersteund konden worden.
Het gevolg was dat de Amerikanen zelden patrouilles uitvoerden buiten het bereik van de eigen ondersteunende artillerie eenheden.
In de nacht verbleven de Amerikanen binnen verdedigende basissen, met uitzondering van hinderlaag patrouilles.
Dit kwam omdat de luchtmacht in de nacht niet efficiënt opereren kon met als gevolg dat de Communisten zich in de nacht dan ook vrij over het land bewogen.
De Amerikanen probeerden dit tegen te gaan middels censoren die bewegingen van de communisten moesten waarnemen zodat deze in de nacht gebombardeerd konden worden.
Veel infanterie secties begonnen zich ook in Vietnam “onofficieel” met automatische wapens uit te rusten.
Wederom was in de praktijk gebleken dat de infanterie in harde gevechten over voldoende automatische vuurkracht diende te beschikken.
De Communisten vertrouwden er hoofdzakelijk op een directe confrontatie met Amerikaanse en Zuid Vietnamese eenheden te kunnen vermijden.
Er vonden wel directe confrontaties plaats waarbij veldslagen in de stijl van de tweede wereldoorlog ontstonden zoals “Hamburger Hill” en “Khe Sanh”.
In plaats daarvan probeerde de Communisten de controle over de gebieden en de bevolking te verkrijgen door fysieke aanwezigheid en niet middels vuurkracht zoals de Amerikanen dit trachtte te bereiken.
Vaak werd geprobeerd om Amerikaanse eenheden in hinderlagen te vangen maar deze werden minder succesvol naarmate de oorlog vorderde hoewel gezegd moet worden dat het Zuid Vietnamese leger niet over de tactische expertise van de Amerikanen beschikten.
Deze Communistische eenheden waren bijna volledig lichte infanterie, zonder artillerie, met enkele mortieren en machinegeweren.
Ze waren niet opgewassen tegen de hoeveelheid bewapening van de Amerikaanse infanterie secties, zelf zonder de ondersteunende eenheden.
En toch bleken ze in staat de tekortkomingen van het Amerikaanse systeem uit te buiten en de massale vuurkracht van de Amerikanen gedurende acht lange jaren te weerstaan, ondanks verschrikkelijke verliezen.
De lessen uit Vietnam tonen aan dat de luchtmacht en de artillerie een enorme steun kan zijn voor de infanterie in conventionele en politionele oorlogvoering, maar dat het de infanterie niet kan vervangen.
Het gebruik van deze massale vuurkracht heeft ongetwijfeld veel Amerikaanse infanteristen het leven gered maar bleek, zoals veel levensbeschermende maatregelen, gewoonte vormend.
De Amerikanen werden over afhankelijk van de ondersteunende vuurkracht zoals tijdens de tweede wereldoorlog en in Korea.
Dit systeem heeft bewezen effectief te zijn en verliezen te verminderen in het verleden maar de vraag blijft of een agressiever, beter getraind en bewapende Amerikaanse infanterie meer resultaten had kunnen bereiken.
Wederom zouden de problemen met de training blijken in Vietnam.
Middels een rotatie systeem verbleef de Amerikaanse infanterist acht maanden in het veld.
Dit was nauwelijks genoeg om alles van de praktijk te leren, dit kon alleen in het veld worden opgedaan ondanks dat de training meer aangepast was naar de specifieke omstandigheden dan in het verleden gedaan werd, en door te geven aan de volgende lichting.
Uiteraard hadden langere periodes meer gevecht moeheid tot gevolg waardoor meer verliezen geleden zouden worden.
De gemiddelde Amerikaanse soldaat was na 60 dagen van continue gevechtssituaties uitgeput.
Er is ongeveer 2/3 deel van die tijd nodig om “slagveldwijs” te worden.
In niet continuerende gevechtssituaties bereikte de soldaat zijn “slagveldwijsheid” na 4 tot 5 maanden.
Onderofficieren en bemanningen van wapensystemen bleven langer inzetbaar.
Er zijn legers die vinden dat de infanterie langer efficiënt blijft maar dit lijkt hoofdzakelijk gemotiveerd te worden vanuit een papieren noodzaak.
Tevens bleek in Vietnam dat de Amerikanen de bevelstructuur sinds 1942 weinig verbeterd hadden.
De eenheden vielen nog steeds uiteen door kleine hoeveelheden aan vijandige vuurkracht.
Dit dient onderdrukt te worden middels de eigen vuurkracht wat de Amerikanen bijna altijd leverden middels de ondersteunende wapens.
Te vaak bleken de eenheden onder leiding te staan van de verkeerde personen aangezien de commandant en de leider niet dezelfde persoon waren.
De radio, en de vuurkracht die het verschafte, was een doorbraak in de gebruikte tactieken en heeft veel Amerikanen het leven gered.
De eenheden werden echter over afhankelijk en dienden te vertrouwen op beslissingen van de hogere bevelstructuur.
Een eenheid in gevecht diende de bevelen te volgen, niet van de eigen commandant die het gevecht overzag, van een hogere bevelvoerder aan de andere kant van het communicatie netwerk.
Op deze wijze werd de man in gevecht eigen initiatief ontzegd terwijl de beslissing genomen werd door mensen die gescheiden waren van de actie.
Dit was herhaaldelijk het geval in Vietnam.
Afgezien van Israëls onafhankelijkheid oorlog (1947-1948), welke is uitgevochten met geïmproviseerde strijdkrachten, werden de Israëli – Arabische oorlogen gedomineerd door gepantserde strijdkrachten.
Beschouwd men het terrein in de betrokken gebieden dan kan dit niet verrassen.
In 1956 en 1967 vertoonde de infanterie van Israel eenzelfde hoog niveau van motivatie en training als de rest van het leger van Israel.
In deze gevechten bleek wederom dat niet de vuurkracht verschil maakte maar een betere bevelstructuur en training welke resulteerde in een hogere cohesie van de eenheden in het gevecht.
Ondanks de resultaten die de infanterie van Israel behaalden werden deze overschaduwd door de schitterende gepantserde formaties.
In 1973 was de situatie geheel anders.
De Egyptenaren hadden dezelfde bewapening waarmee ze gevlucht waren in 1967.
Ze hadden de organisatie van het leger aangepast om er beter gebruik van te kunnen maken.
In plaats van het overnemen van de zeer mobiele tactieken die de Israëli’s gebruikten, welke veel vaardigheden van de soldaten vereisten, was het leger onder Russisch toezicht aangepast aan het eigen niveau.
Hadden de Egyptenaren geprobeerd om de methodes van de infanterie van Israël te imiteren, dan hadden ze zonder twijfel gefaald.
Gedurende de 20ste eeuw is herhaaldelijk aangetoond dat pogingen om de methodes van andere legers te dupliceren, zonder de systemen te beheersen waarop deze methodes gebaseerd waren, eindigen in een catastrofe.
De methode omvat “systemen” zoals motivatie, geletterdheid en technische vaardigheden van het personeel, training, wapens en tactische doctrine.
Het is onmogelijk efficiënt te vechten met een leger op een manier waar het leger niet geschikt voor is.
In 1973 gebruikte de infanterie van Egypte geleide raketten om een schild te vormen tegen de beslissende wapens die Israël zoveel overwinningen gebracht hadden..
Geleide raketten bleken efficiënte wapens tegenover de luchtmacht en gepantserde formaties, vooral omdat de Israëli’s overmoedig waren geworden.
Het kwam op de infanterie aan om deze oorlog uit te vechten en op dit terrein vertoonde de infanterie van Egypte verrassende vaardigheden.
Bij de eerste aanval op de eerste dag van het conflict werden de weerstandsnesten van de Israëlische Bar-Lev linie, die de verdediging vormde langs het Suez kanaal, geïnfiltreerd met een efficiëncy vergelijkbaar met de Duitsers uit 1917.
Wederom bleken de infiltratie tactieken de sleutel van succesvolle infanterie operaties.
Nadat de weerstandsnesten van de Bar-Lev linie waren geneutraliseerd door de ondersteunende artillerie en infiltrerende infanterie konden de Egyptenaren bruggen leggen om de gepantserde formaties over het Suez kanaal te brengen.
De infiltrerende Egyptische infanterie trok verder, daarbij de Bar-Lev linie achterlatend om te worden gezuiverd door een volgende golf van troepen.
Als ze werden aangevallen door de gepantserde formaties van Israël gebruikten ze Sagger anti tank raketten met dodelijk effect.
Het zou op de infanterie van Israël aan komen om het Egyptische leger uit zijn posities te verjagen welke het Egyptische opperbevel de gehaktmolen noemde.
Er is weinig bekend van de gebruikte tactieken van de infanterie van beide partijen maar de algemene lijnen zijn duidelijk.
Het is lastig om een inschatting te maken hoe een mogelijke oorlog in Europa er uit had gezien op basis van de lessen van andere oorlogen.
De geschiedenis verschaft enkele gegevens maar geen inzicht hoe deze geïnterpreteerd dienen te worden.
De Fransen bestudeerden de lessen van de eerste wereldoorlog en bouwden de Maginot linie.
De Duitsers bestudeerden dezelfde oorlog en ontwikkelden de “Blitzkrieg”.
Een veronderstelling, een les van de Yom Kippoer oorlog, is dat de geleide Anti-Tank raket de infanterie, in ieder geval tijdelijk, kan beschermen tegen tanks.
Geleide luchtafweer raketten waren nog niet in staat om de infanterie tegen vliegtuigen te beschermen maar het lag in de verwachting dat de technische vooruitgang er uiteindelijk in zou slagen om de tanks en de vliegtuigen van het slagveld te verdrijven.
De wapens die dan overbleven op het slagveld zijn dezelfde wapens die zo efficiënt bleken in 1914, de infanterie, machinegeweren en de artillerie.
De ondersteunende vuurkracht voor de infanterie was inmiddels zo groot dat het mogelijk werd om de infanterie breed over het slagveld te verspreiden.
Deze verspreiding was noodzakelijk in een oorlog waarbij de inzet van tactische nucleaire wapens waarschijnlijk was.
De NATO was er van overtuigd dat het mogelijk was om met een verspreid nucleair front, 1000 tot 5000 meter per bataljon, en een efficiënt ondersteunend vuurkracht systeem volgens Amerikaans model een Sovjet bataljon met een frontbreedte van 1000 meter gestopt kon worden.
Indien dit waarheid is dan was de NATO in staat een continuerende linie te vormen van de Noordzee tot Zwitserland.
Waren de instrumenten van de doorbraak, de tanks, van het slagveld verdreven dan is het hoogst waarschijnlijk dat de situatie een herhaling van de patstelling van de eerste wereldoorlog was geworden.
Verschillende vernieuwingen geven echter een andere wending aan de situatie.
Zo werden de strijdkrachten van de NATO en het Warsaw pact universeel voorzien van gepantserde personeelsvoertuigen.
Dit verschafte de infanterie eenzelfde mobiliteit als de tanks.
Bovendien verschafte het gepantserde personeelsvoertuig bescherming tegen de infanterie grootste vijand, kogels en granaatsplinters.
Daar komt nog eens bij dat het gepantserde personeelsvoertuig veel oplossingen biedt voor de bevelstructuur.
Zolang de infanterie in het voertuig zit hoeft alleen het voertuig aangestuurd te worden in plaats van een hele sectie in het veld.
Veel gepantserde personeelsvoertuigen, voorzien van zware wapens, werden miniatuur tanks die in staat waren de infanterie van directe vuurkracht ondersteuning te voorzien.
Dit zijn een paar van de voordelen die het gepantserde personeelsvoertuig te bieden had maar de infanterie werd, als ze in het voertuig zaten, bedreigd door de geleide Anti-Tank raketten die bewezen had effectief te zijn tegen tanks.
Beide partijen beschikten over massale hoeveelheden ondersteunende vuurkracht die snel opgeroepen kon worden tot op sectie niveau.
Deze massale ondersteunende vuurkracht lijkt de vuurkracht van de infanterie onbelangrijk te maken.
Vergeet echter niet dat zelfs de grootste hoeveelheid ondersteunende vuurkracht niet veel bereiken kan.
De wekenlange bombardementen van 1915-1917 en de Amerikaanse ervaring in Vietnam zijn daar getuigenissen van.
Iedere verwaarlozing van infanterie tactieken als zijnde onbelangrijk met de hoeveelheid beschikbare ondersteunende vuurkracht zijn een uitnodiging tot een rampzalige nederlaag zoals dat in de geschiedenis herhaaldelijk wordt aangetoond.
Het is waarschijnlijk dat de te gebruiken infanterie tactieken in hoofdlijnen dezelfde zullen zijn geweest als in de overige oorlogen van de 20ste eeuw.
De infanterie diende nog steeds te beschikken over automatische wapens.
Het was technologisch mogelijk om wapens te maken die 10000 schoten per minuut afvuurden.
Dit lijkt fantastisch maar de problemen met de bevoorrading van munitie heeft de technologische ontwikkeling van deze conventionele wapens tegen gehouden.
Reeds gedurende de tweede wereldoorlog ondervonden de Duitsers dat de lichte machinegeweren te snel schoten.
Een kort vuursalvo verbruikte te veel, moeilijk te vervangen munitie.
Het gebruik van automatische geweren was in deze periode universeel geworden.
Alleen de Engelsen hadden nog aandacht voor gericht schieten en de traditionele kunst van het schieten en schoten daarom nog steeds enkel schots.
Andere legers vertrouwden op het geheel leegschieten van het magazijn in de algemene richting van de vijand in een verspreid patroon om een fysiek en psychologisch effect te bereiken.
Uiteraard verbruikte deze laatste methode veel munitie.
Geleide Anti-Tank en luchtafweer raketten zouden in de loop der tijd de bewapening van de infanterie sectie versterken.
Zowel hand als geweergranaten waren nog steeds in gebruikt maar waren weinig verandert sinds de introductie in 1915.
Hetzelfde kan gezegd worden over het mortier, de infanterie eigen artillerie.
Al deze wapens helpen de infanterie maar zijn geen wondermiddelen.
Het meest belangrijke onderdeel van de infanterie blijft een efficiënte bevelstructuur en leiderschap.
Dit is ongeveer het onderdeel wat het moeilijkste te bereiken is.
Gemotiveerd, technisch capabel personeel maakt het makkelijker maar is zeker geen noodzaak.
Een duidelijk begrip van de psychologische en fysieke elementen van infanterie tactieken zijn noodzakelijk.
Misschien dat training een oplossing biedt maar het Amerikaanse leger was het best getrainde leger tijdens de tweede wereldoorlog en nog liet de bevelstructuur te wensen over.
Enkel een lang dienend beroeps leger heeft voldoende tijd om efficiënt te trainen maar deze strijdkrachten zijn over het algemeen klein van omvang.
Te vaak, ondanks de lessen van de afgelopen 100 jaar, worden deze belangrijke elementen genegeerd.
In de hogere niveaus binnen defensie en de staf van de legers worden gegevens welke niet in getallen gevat konden worden genegeerd en onbelangrijk bevonden omdat ze niet in de computer gevoerd kunnen worden.
Daarmee wordt het feit verworpen dat een charismatische leider, of 300 jaar aan traditie, meer invloed kan hebben op het slagveld dan iedere hoeveelheid aan ondersteunende vuurkracht.
Oorlogen worden gevochten door mensen, gebruikmakend van wapens die enkel zo efficiënt kunnen zijn als de mensen die ze gebruiken.
Inadequate bewapening heeft de infanterie geregeld gehinderd maar het effect van een inadequate bewapening is ondergeschikt aan efficiënte tactieken die gebruikt maakt van de basis principes van infanterie gevechten, bevelstructuur en leiderschap.
Het is belangrijker zeker te zijn dat de infanterie op deze gebieden sterk is dan de bewapening.
In infanterie gevechten zijn het niet de wapens die de overwinning behalen, het is de manier waarop ze gebruikt worden door de mensen die ze gebruiken.